Edna St. Vincent Millay 1892 - 1950
 
 
First fig
My candle burns at both ends;
It will not last the night;
But ah, my foes, and oh, my friends -
It gives a lovely light.
Troc
Je brûle les etapes de ma vie
bien aux frais de mes jours.
Mais mieux, amis, qu'une longue vie,
vaut une vie pleine d'amour.

What lips my lips

What lips my lips have kissed, and where, and why,
I have forgotten, and what arms have lain
Under my head till morning; but the rain
Is full of ghosts to-night, that tap and sigh
Upon the glass and listen for reply;
And in my heart there stirs a quiet pain,
For unremembered lads that not again
Will turn to me at midnight with a cry.

Fantoom pijn

Wie ik, wanneer en waarom heb gekust,
ben ik vergeten, net als wiens armen
ik koos om mij in mijn bed te warmen.
De regen huist hun geesten zonder rust;
ze zuchten en tikken tegen het raam. 
En in mijn hart roert zich een stille pijn
om vergeten jongens die ‘s nachts in mijn
armen vluchtten, luid schreeuwende mijn naam.
Midnight oil
Cut, if you will, with Sleep's dull knife,
Each day to half its length, my friend,-
The years that Time takes off my life
He'll take from off the other end!
Nachtbraken
Met het botte mes van de Slaap
halveer je jouw dagen, mijn vriend.
Maar de jaren die de Tijd mij ontneemt
neemt hij eerst van die donkere kant!
I dreamed I moved among

I dreamed I moved among the Elysian fields,
In converse with sweet women long since dead;
And out of blossoms which that meadow yields
I wove a garland for your living head.
Danai, that was the vessel for a day
Of golden Jove, I saw, and at her side,
Whom Jove the Bull desired and bore away,
Europa stood, and the Swan's featherless bride.

All these were mortal women, yet all these
Above the ground had had a god for guest;
Freely I walked beside them and at ease,
Addressing them, by them again addressed,
And marvelled nothing, for remembering you,
Wherefore I was among them well I knew.

Ultiem compliment.

Ik droomde dat in Elysesche velden,
ik met langdode, lieve vrouwen sprak.
En dat van de bloemen die daar welden
ik voor jouw krans de ranke stelen brak.
Danai, één dag bemind door gouden Zeus
was daar, naast  haar zag ik Europa  staan,
door Stier Zeus begeerd en ontvoerd van huis,
en Leda, veerloze bruid van de Zwaan.
Afrekening

O, maar nu heb jij wat tegoed van mij !
Geef mijn boek terug en je krijgt een kus.
Was het een vijand of een vriend die zei:
“Voor jou is dat boek een te grote klus!”
Kom nu mijn allernieuwste hoed eens zien,
en hoe ik mij mooi aankleed en me sier.
Ik blijf jouw lief en aardig bovendien;
maar van wat ik denk, zeg ik je geen zier.
Oh, you will be sorry

Oh, oh, you will be sorry for that word!
Give back my book and take my kiss instead.
Was it my enemy or my friend I heard?-
"What a big book for such a little head!"
Come, I will show you now my newest hat,
and you may watch me purse my mouth and prink.
Oh, I shall love you still and all of that.
I never again shall tell you what I think.
Zo weet ook ‘s winters ‘n eenzame boom
niets van vogels verdwenen uit het dal,
maar voelt zijn kruin wel stiller dan ervoor.
Niets weet ik nog van liefdes zonder tal;
de zomer zong in mij als in ’n droom
voorgoed vergaan, verdwenen zonder spoor.
Thus in the winter stands the lonely tree,
Nor knows what birds have vanished one by one,
Yet knows its boughs more silent than before:
I cannot say what loves have come and gone;
I only know that summer sang in me
A little while, that in me sings no more.
Ik zal heel lief en slim zijn, sluw en zacht,
maar lezend je zult me nooit meer snappen.
Model echtgenote word ik geacht,
tot - als je de deur komt binnenstappen,
’n goede dag, als het mooi weer is buiten,
- ik weg ben, en jij naar mij kunt fluiten.
I shall be sweet and crafty, soft and sly;
you will not catch me reading any more;
I shall be called a wife to pattern by;
And some day when you knock and push the door,
some sane day, not too bright and not too stormy,
I shall be gone, and you may whistle for me.

BURIAL

Mine is a body that should die at sea!
And have for a grave, instead of a grave
Six feet deep and the length of me,
All the water that is under the wave!
And terrible fishes to seize my flesh,
Such as a living man might fear,
And eat me while I am firm and fresh,--
Not wait till I've been dead for a year!

WATERGRAF

Mijn lichaam zou op zee moeten sterven
en, in plaats van een graf in de aarde
slechts zes voet lang en diep , ’n watergraf
krijgen; van al het water van de zee!
Waar enge vissen die een levend mens
zou vrezen, me grijpen om mij op te
eten als ik nog vers en stevig ben -
en niet wachten tot een jaar na mijn dood.

Zomergast.

Ik ben alleen de zomer in jouw hart,
en niet alle seizoenen van het jaar.
En nobele stemmingen, tot mijn smart
bij mij absent, die zoek je elders maar.
Ook gouden vruchten, andere rijkdom,
of wijze taal, moet je mij niet vragen.
En te lang heb ik je liefgehad, om
nog borsten als in mijn jeugd te dragen.
I know I am but summer

I know I am but summer to your heart,
And not the full four seasons of the year;
And you must welcome from another part
Such noble moods as are not mine, my dear.
No gracious weight of golden fruits to sell
Have I, nor any wise and wintry thing;
And I have loved you all too long and well
To carry still the high sweet breasts of spring.
Wherefore I say: O love, as summer goes,
I must be gone, steal forth with silent drums,
That you may hail anew the bird and rose
When I come back to you, as summer comes.
Else will you seek, at some not distant time,
Even your summer in another clime.
Daarom mijn lief, moet ik, zonder verpozen
na de zomer heengaan, met stille trom,
zodat je met de vogels en de rozen
mij begroet, als ik, na de lente, kom.
Want anders, zoek jij al tamelijk gauw
zelfs je zómers bij ’n andere vrouw.
Binnenland

Mensen die hun huis landinwaarts
bouwen, een kavel bouwland kopen
en daar dan hun huis op gaan bouwen,
ver van de kust en van het geluid

van aan de rotsen zuigend water,
van tónnen de kust beukend water -
Waarnaar verlangen ze, zoals ik verlang
naar nog één zilte vleug zeegeur?

Mensen die nooit gewekt zijn door golven
die de boten in de haven kastijden,
Waarnaar verlangen ze, zoals ik verlang -
opschrikkend in mijn landrot bed,

op nauwe muren bonzend, zonder
deur of raam te vinden, schreeuwend
naar God om de verdrinkingsdood  -
nog ééns de zoute zee te proeven ?
Inland

People that build their houses inland,
People that buy a plot of ground
Shaped like a house, and build a house there,
Far from the sea-board, far from the sound

Of water sucking the hollow ledges,
Tons of water striking the shore --
What do they long for, as I long for
One salt smell of the sea once more?

People the waves have not awakened,
Spanking the boats at the harbor's head,
What do they long for, as I long for, --
Starting up in my inland bed,

Beating the narrow walls, and finding
Neither a window nor a door,
Screaming to God for death by drowning --
One salt taste of the sea once more?
Travel

The railroad track is miles away,
And the day is loud with voices speaking,
Yet there isn't a train goes by all day
But I hear its whistle shrieking.

All night there isn't a train goes by,
Though the night is still for sleep and dreaming,
But I see its cinders red on the sky,
And hear its engine steaming.

My heart is warm with friends I make,
And better friends I'll not be knowing;
Yet there isn't a train I wouldn’t take,
No matter where it's going.

Wegwezen!

De spoorlijn is mijlen ver weg,
en de dag is vol lawaai van stemmen
maar de hele dag gaat geen trein voorbij
of ik hoor hem fluitend remmen

De hele nacht komt geen trein voorbij,
al is de nacht voor slapen en dromen,
of ik zie zijn sintels rood in de lucht
en hoor zijn stoommachien stomen.

Mijn hart slaat warm voor mijn vrienden,
en betere vrienden vind ik nooit;
toch: geen trein die ik niet zou nemen,
al ging hij naar het land van ooit.
If I should learn

If I should learn, in some quite casual way,
That you were gone, not to return again--
Read from the back-page of a paper, say,
Held by a neighbor in a subway train,
How at the corner of this avenue
And such a street (so are the papers filled)
A hurrying man--who happened to be you--
At noon to-day had happened to be killed,
I should not cry aloud--I could not cry
Aloud, or wring my hands in such a place--
I should but watch the station lights rush by
With a more careful interest on my face,
Or raise my eyes and read with greater care
Where to store furs and how to treat the hair.

Uitstel

Als ik ooit op een terloopse manier
van je plots verscheiden zou vernemen,
(in de trein, in een krant, pagina vier,
die iemand naast mij door zat te nemen)
dat op de kruising van een laan en straat,
als krantenvulling met name genoemd,
toevallig jij, zoals altijd gehaast,
werd overreden, door toeval gedoemd,
zou ik niet hardop huilen, luid huilen,
of mijn handen wringen kon ik daar niet.
Ik zou van de stations de naamzuilen
aandachtig voorbij zien snellen, of liet
mijn ogen verder dwalen door die krant
en las verbeten over zonnebrand.
Bluebeard
This door you might not open, and you did;
So enter now, and see for what slight thing
You are betrayed. . . . Here is no treasure hid,
No cauldron, no clear crystal mirroring
The sought-for truth, no heads of women slain
For greed like yours, no writhings of distress,
But only what you see. . . . Look yet again--
An empty room, cobwebbed and comfortless.

Yet this alone out of my life I kept
Unto myself, lest any know me quite;
And you did so profane me when you crept
Unto the threshold of this room to-night
That I must never more behold your face.
This now is yours. I seek another place.
Blauwbaard

Je opende toch die verboden deur!
Kom binnen en zie dat je verraden
bent voor niets en niemandal. Hier geen keur
aan verborgen schatten en sieraden,
geen klaar kristal dat de diepste waarheid
toont , geen vrouwenhoofden afgehakt
om ondeugden als jouw nieuwsgierigheid,
of wanhoopsteksten op de muur geplakt.
I shall forget you

I shall forget you presently, my dear,
So make the most of this, your little day,
Your little month, your little half a year,
Ere I forget, or die, or move away,
And we are done forever; by and by
I shall forget you, as I said, but now,
If you entreat me with your loveliest lie
I will protest you with my favorite vow.
I would indeed that love were longer-lived,
And vows were not so brittle as they are,
But so it is, and nature has contrived
To struggle on without a break thus far,
Whether or not we find what we are seeking
Is idle, biologically speaking.
Temporeel

Ik zal je zo vergeten zijn, mijn schat.
Geniet van wat je hebt maar maximaal.
Van elke dag, van elke maand, tot dat
na een half jaar of langer, als ik baal 
en vertrek, of ik sterf, “ WIJ passé zijn.
Ik zal je vergeten, zoals ik zei,
maar voor jouw soms leugenachtig lief zijn
krijg jij een favoriete wens van mij:
Ik wou dat liefde tijdloos was en puur
en geloften niet zo breekbaar waren.
Maar het is zoals het is, de natuur
liet ons maar voort doen al die jaren.
Of wij beiden vinden wat wij zoeken
komt niet in Biologie haar boeken.
Where can the heart

Where can the heart be hidden in the ground
And be at peace, and be at peace forever,
Under the world, untroubled by the sound
Of mortal tears, that cease from pouring never?
Well for the heart, by stern compassion harried,
If death be deeper than the churchmen say,--
Gone from this world indeed what's graveward carried,
And laid to rest indeed what's laid away.
R.I.P.

Waar kan het hart rust vinden in de grond,
onder deze wereld, voor eeuwig rust,
verlost van mensengeschrei: het affront
van eeuwige ellende en onrust ?
Wel, voor het serieus medelevend hart,
als de dood dieper is dan priesterpraat:
werkelijk weg en dus niet meer benard,
is  wie op het kerkhof de grond in gaat.
Anguish enough while yet the indignant breather
Have blood to spurt upon the oppressor's hand;
Who would eternal be, and hang in ether
A stuffless ghost above his struggling land,
Retching in vain to render up the groan
That is not there, being aching dust's alone?
Love is not blind

Love is not blind. I see with single eye
Your ugliness and other women's grace.
I know the imperfection of your face,
The eyes too wide apart, the brow too high
For beauty. Learned from earliest youth am I
In loveliness, and cannot so erase
Its letters from my mind, that I may trace
You faultless, I must love until I die.
More subtle is the sovereignty of love:
So am I caught that when I say, "Not fair,"
'Tis but as if I said, "Not here--not there
Not risen--not writing letters." Well I know
What is this beauty men are babbling of;
I wonder only why they prize it so.
Behekst

Liefde is niet blind. Ik zie jouw lelijkheid
en de charme van andere vrouwen.
In jouw gezicht zie ik zorgenvouwen,
een te hoog voorhoofd en ogen die te wijd
uiteen staan. Ik ben vanaf een jaar of acht
in schoonheid geschoold en kan die lessen
niet zo vergeten dat ik jou foutloos acht.
Ik moet tot mijn dood toe beminnen,
Herman de Koninck: Edna St.Vincent Millay: Inleiding en 27 vertaalde sonnetten:
http://www.dbnl.org/tekst/_tir001197801_01/_tir001197801_01_0060.php

Willem van der Vegt: Vertalingen van sonnetten van Edna St. Vincent Millay
http://www.willemvandervegt.nl/gedichten.php?b=13


Home              Occupy Wall Street             Poems& Poèmes            Stekeligheden   

IñLuks                Global Partnership Society               Links-Downloads-Contact
Well, I have lost you

Well, I have lost yoy; and I have lost you fairly;
in my own way, and with my full consent.
Say what you will, kings in a tumbrel rarely
went to their deaths more proud than this one went.
Some nights of apprehension and hot weeping
I will confess; but that’s permitted me;
days dried my eyes; I was not one for keeping
rubbed in a cage a wing that would be free.

If I had loved you less or played you slyly
I might have held you for a summer more,
but at the cost of words I value highly,
and no such summer as the one before.
Should I outlive this anguish - and men do -
I shall have only good to say of you.
Schone breuk

Ik ben je kwijt. Wel met mijn instemming,
en op mijn manier,  maar evengoed kwijt.
Toch reed er zelden een trotser koning
op een affuit naar zijn graf, dan mijn spijt.
Nachten van zorgen en tranen doorleefd,
biecht ik op, maar die zijn mij toegestaan.
De dagen droogden mijn ogen; nooit heeft
een vogel in mijn kooi zijn leven verdaan.
I should have loved you

I think I should have loved you presently,
And given in earnest words I flung in jest;
And lifted honest eyes for you to see,
And caught your hand against my cheek and breast;
And all my pretty follies flung aside
That won you to me, and beneath your gaze,
Naked of reticence and shorn of pride,
Spread like a chart my little wicked ways
 

Masochisme

Doorzeef mij hiervoor maar met pijlen, schat.
En sleep me tot mijn dood achter je aan
Maar hoge heer en hartendief, een hol vat
zijn zij die jou machtig noemen, komaan,
ze liegen! Dag na dag vliegt jouw boze
pijlenwolk rond mijn hoofd. Toch ben ik vrij,
geen slaaf van klaagzieke zorg; geen loze
erediensten in tempels voor mij!

Inkeer

Ik had jou meteen moeten beminnen,
en ernstig spreken in plaats van gevat;
je aanzien, om je te doen bezinnen
dat ik toen al gevoelens voor je had.
Al mijn grapjes achterwege laten
die jou voor mij wonnen, bedaren,
en zonder terughoudendheid, gelaten
mijn stoute levenswandel openbaren.
 

Though you riddle me

Love, though for this you riddle me with darts,
And drag me at your chariot till I die, --
Oh, heavy prince! Oh, panderer of hearts! --
Yet hear me tell how in their throats they lie
Who shout you mighty: thick about my hair,
Day in, day out, your ominous arrows purr,
Who still am free, unto no querulous care
A fool, and in no temple worshiper!
I, that have bared me to your quiver's fire,
Lifted my face into its puny rain,
Do wreathe you Impotent to Evoke Desire
As you are Powerless to Elicit Pain!
(Now will the god, for blasphemy so brave,
Punish me, surely, with the shaft I crave!)

Onrecht

De mens heeft steeds zijn geliefden bemind,
bezong immer hun deugd, schoonheid en geest.
J u s t i t i a, die nu smaad ondervindt,
is altijd onze lieveling geweest.
Na de wieg wordt het kind lanzaam wijzer,
Schouwt schoonheid tot het zijn zinnen verdooft ;
Maar geen oog ziet ooit nog zo’n keizer-
lijke schoonheid, eerst vereerd, nu onthoofd.

As men has loved

As men have loved their lovers in times past
And sung their wit, their virtue and their graces,
So we have loved sweet Justice to the last,
That now lies here in an unseemly place.
The child will quit the cradle and grow wise
And stare on beauty till his senses drown;
Yet shall be seen no more by mortal eyes
Such beauty as here walked and here went down.

Like birds that hear the winter crying plain
Her courtiers leave to seek the clement south;
Many have praised her, we alone remain
To break a fist against the lying mouth
Of any man who says this was not so:
Though she be dead now, as indeed we know.
Deze vrouwen waren sterfelijk, maar
toch eens, op aarde door een God bezocht.
Vrij, op mijn gemak liep ik met hen daar,
als gelijke converserend. Dat mocht,
en leek normaal, maar aan jou denkend pas
wist ik precies waaróm ik bij hen was.
Van mijn leven had ik alleen dit vóór
me willen houden, moet ik bekennen;
zo had niemand me echt helemaal door.
Jij maakte inbreuk, ik kan niet wennen
aan jouw nieuw gezicht. Alles is voor jou.
Ik vertrek, ik zoek een andere vrouw.
Angst genoeg zolang de levende kwaad
bloed spuwt op de onderdrukkende hand.
Wie zou eeuwig hangend als onverlaat,
als geest, boven zijn arm en zwoegend land,
kokhalzend toch geen kreun kunnen geven,
daar hij alleen stof is, zonder leven?
want zo subtiel is Venus heerschappij.
Ik ben er door behekst:  als ik niet zeg
wat ik voel, is er geen andere weg.
Ik kan goed begrijpen en vertellen
wat vrouwenschoonheid is, ook die van mij.
Maar waarom mannen er prijs op stellen?
Had ik je minder bemind of wat wijs
gemaakt, dan was je nog wel een seizoen 
gebleven, maar tegen te hoge prijs,
en nooit werd dat een zomer zoals toen.
Als deze smart me niet doodt  - onverhoeds -
vertel ik van jou niets anders dan goeds.
Als je was gebleven zou ik voor jou
zijn: een werkelijkheid geworden droom.
Ik koester wat het mij brengen zou:
Ik leef subliem in jouw geheugenstroom;
Een geestesvrouw van marmer, haast nog kind,
die jou heel spoedig zou hebben bemind.
I, that had been to you, had you remained,
But one more waking from a recurrent dream,
Cherish no less the certain stakes I gained,
And walk walk your memory's halls, austere, supreme,
A ghost in marble of a girl you knew
who would have loved you in a day or two.
Ik stelde me aan jouw vurige pijlen bloot,
hief mijn gezicht op naar die miezerregen,
maar verklaar nu jouw macht voor goed morsdood
om verlangen of om pijn te geven!
(Ik hunker naar de schacht waarmee de god
mij zeker straffen zal voor dit genot)
Als vogels bang voor de winterse kou 
zijn haar fans naar het zuiden gevlogen;
Velen prezen haar, geen die blijven wou
om te strijden tegen hen die logen:
elke man die zegt dat het niet waar is.
Ofschoon ze nu dood is, tot ons gemis.
Be sure my coming

Be sure my coming was a sharp offense
And trouble to my mother in her bed;
And harsh to me must be my going hence,
though I were old and spent and better dead;
Between the awful spears of birth and death
I run a grassy gauntlet in the sun;
And curdled in me is my central pith,
Remembering that there is dying to be done.
O Life, my litle day, at what a cost
Have you been purchased! What a bargain’s here!
(And yet, thou canny Lender, thou has lost;
Thumb thy fat book untill my debt appear;
So, art thou stuck? Thou canst not strike that
through For the small dying that a man can do!?
Kwijting
Mijn komst was pijnlijk en problematisch;
een kwelling voor mijn moeder in haar bed.
En mijn heengaan wordt vast ook dramatisch
zelfs als ik oud  ben en het niet meer red.
Tussen de speren Geboorte en Dood
loop ik spitsroeden in het gras in de zon
en diep van binnen bezwaart mij de bood-
schap dat de dood iederéén overwon.
O mijn korte leven dat ik bevocht
vanaf de aanschaf, nooit was het goedkoop!
(En toch ben jij, handige Lener, bekocht.
Gooi mijn schulden gerust op een hoop.
Die kun jij nu doorstrepen, uit fatsoen,
tegen het sterven dat ik heb te doen!)
When we are old

When we are old and these rejoicing veins
Are frosty channels to a muted stream
And out of all our burning there remains
No feeblest spark to fire us, even in dream
This be our solace: that it was not said
When we were young and warm and in our prime,
Upon our couch we lay as lie the dead,
Sleeping away the unreturning time.
O sweet, O heavy-lidded, O my love,
When morning strikes her spear upon the land,
And we must rise and arm us and reprove
The insolent daylight with a steady hand,
Be not discountenanced if the knowing know
We rose from rapture but an hour ago.
Bezeten
Als we oud zijn en onze bloedvaten
haast te stug zijn voor de dan trage stroom,
heeft ons vuur geen vonk achtergelaten
die op kan gloeien, zelfs niet in een droom.
Tot onze troost zal er niemand griepen
dat, toen we jong waren, en op ons best,
wij  nooit-in-te-halen tijd versliepen.
en stil als doden lagen in ons nest.
O liefste sluikoog, O mijn lieve schat,
als de ochtendzon aanvangt met haar baan
staan we op en wapenen ons zodat
we kalm het daglicht kunnen doorstaan.
En wat zóu het ook dat men kan weten
dat wij door extase zijn bezeten?
Upon this age

Upon this age, that never speaks its mind,
This furtive age, this age endowed with power
To wake the moon with footsteps, fit an oar
Into the rowlocks of the wind, and find
What swims before his prow, what swirls behind -
Upon this gifted age, in its dark hour
Rains from the sky a meteoric shower
Of facts … they lie unquestioned, uncombined,

Wisdom enough to leech us of our ill
Is daily spun; but there exists no loom
To weave it into fabric; undefiled
Proceeds pure Science, and has her say; but still
Upon this world from the collective womb
Is spewed all day the red triumphant child.
Uur U
En deze tijd, die zich zelf nooit verklaart,
maar wel macht heeft om - van alle plekken -
zelfs de maan met voetstappen te wekken,
deze tijd die de wind temt en de aard
van verleden en toekomst verstaat,
ondergaat nu in zijn donkerste uur
een lawine van feiten, hard en duur.
Die blijven onbevraagd en separaat.

Wijsheid om onze ziekten te helen
wordt dagelijks gesponnen, al bestaat
geen getouw om er stof van te weven.
Wetenschap brengt redding volgens velen,
maar de baarmoeders van de wereldstaat
geven steeds meer babies het leven.
Sonnet 1. from: An Ungrafted Tree

So she came back into his house again
And watched beside his bed until he died,
Loving him not at all. The winter rain
Splashed in the painted butter-tub outside,
Where once the red geraniums had stood,
Where still their rotted stalks were to be seen;
The thin log snapped, and she went out for wood,
Bareheaded, running the few steps between
The house and shed, there, from the sodden eaves
Blown back and forth on ragged ends of twine,
Saw the dejected creeping-jinny vine,
(And one, big aproned, blithe, with stiff blue sleeves
Rolled to the shoulders that warm day in spring,
Who planted seeds, musing ahead to their far
blossoming.)

Ze keerde terug en in zijn woning    
waakte ze, liefdeloos, aan zijn bed
totdat hij stierf. De winterregen ging
te keer buiten in de boterton - gezet
waar geraniums hadden gestaan;
hun rotte stengels lagen bij de muur.
Toen het vuur uit dreigde te gaan
rende ze om hout bloothoofds naar de schuur.

Daar zag ze de harde wind zijn gang gaan
met een ooit hoog opgebonden klimplant,
die afhing van de doorweekte dakrand.
(en iemand die, blij, met een groot schort aan,
de mouwen opgerold die lentedag,
zaadjes plantte en reeds hun bloei voorzag.)
Het laatste en het eerste zaagsel op
de vloer waren even grijs , zo lang was
hij al ziek, roestend lag de zaag erop.
Binnen stuivend als de deur open was
plensde regen op het dak. Ze wilde
zich nu in die andere tijd wanen -
zomerdagen waarin de lucht trilde  
door maaiers en de vlucht van sprinkhanen.

Toen die kleine veelkleurige zanger 
zijn ongelooflijk zuivere lied in
de waterkers zong ( o, die herinnering)
Toen de warme klare lucht niet zwanger
was van stortbuien die huis en groen
belagen zoals ze dat heden doen.
Sonnet 2. from: Aan Ungrafted Tree

The last white sawdust on the floor was grown
Gray as the first, so long had he been ill;
The axe was nodding in the block; fresh-blown
And foreign came the rain acrosss the sill,
But on the roof so steadily it drummed
She could not think a time it might not be -
In hazy summer, when the hot air hummed
With mowing, and locusts rising raspingly,

When that small bird with iridescent wings
And long incredible sudden silver tongue
Had just flashed (and yet maybe not!) among
The dwarf nasturtiums - when no sagging springs
Of shower were in the whole bright sky, somehow
Upon this roof the rain would drum as it was
drumming now
Sonnet 3. from: An Ungrafted Tree

She filled her arms with wood, and set her chin
Forward, to hold the highest stick in place,
No less afraid than she had always been
Of spiders up her arms and on her face,
But to impatient for a careful search
Or a less heavy loading, from the heap
Selecting hastily small sticks of birch,
For their curled bark, that instantly will leap

Into a blaze, not thinking to return
some day, distracted, as of old, to find
Smooth, heavy,round green logs with a wet, gray rind
Only, and notty chunks that will not burn,
(That day when dust is on the wood-box floor,
And some old catlogue,, and a brown, shriveled apple
core).
Ze vulde haar armen met houtblokken
opgestapeld tot haar kin, nog even
bang voor spinnen onder haar rokken
of in haar gezicht als toen ze, even
ongeduldig, geen kleinere lading
koos, maar net zo haastig beide handen,
vulde met de takken van haar gading
die met hun krulbast meteen ontbranden,

zich onbewust dat ze ooit haar handen,
verstrooid als vroeger, zou vullen met hout
met grijze schors dat het niet lang uithoudt
en met grote stronken die slecht branden,
(Toen ze in de houtkist alleen stof zag,
waarop een verdroogd appelklokhuis lag.).
We talk of taxes

We talk of taxes, and I call you friend;
Well, such you are,-but well enough we know
How thick about us root, how rankly grow
Those subtle weeds no man has need to tend,
That flourish through neglect, and soon must send
Perfume too sweet upon us and overthrow
Our steady senses; how such matters go
We are aware, and how such matters end.

Yet shall be told no meager passion here;
With lovers such as we forevermore
Isolde drinks the draught, and Guinevere
Receives the Table's ruin through her door,
Francesca, with the loud surf at her ear,
Lets fall the colored book upon the floor.
Affaire

We praten small talk, en Ik noem je vriend, 
dat ben je, maar we weten al te goed
hoe dicht rondom ons wortelt en zich voedt
het subtiele kruid dat geen zorg verdient,
dat opbloeit door verwaarlozing en zo
zoete geuren spoedig zal loslaten -
dat ons verstand ons wel moet verlaten.
We kennen het begin .. en einde evenzo.

Spreek echter niet van lauwe passie hier;
Altijd drinkt bij ons Iseult haar gifdrank,
opent zich ‘snachts de deur van Guinevier
voor de doem van de ronde Tafelbank,
en eindigt sneu Francesca’s leesplezier,
met in haar oor de luide branding klank.

Not with libations

Not with libations, but with shouts and laughter
We drenched the altars of Love's sacred grove,
Shaking to earth green fruits, impatient after
The launching of the colored moths of Love.

Love's proper myrtle and his mother's zone
We bound about our irreligious brows,
And fettered him with garlands of our own,
And spread a banquet in his frugal house.

Not yet the god has spoken; but I fear
Though we should break our bodies in his flame,
And pour our blood upon his altar, here
Henceforward is a grove without a name,
A pasture to the shaggy goats of Pan,
Whence flee forever a woman and a man.
Schennis

Niet met plengoffers, maar met wild jolijt
hebben wij doordrenkt Eros altaren
in zijn heilig bos, en groen fruit uitgespreid
na de komst van liefdes vlinderscharen.

Met mirte en het kruid van zijn moeder
tooiden wij ons ongodsdienstige lijf.
Met slingers bonden we ook de hoeder,
voor een banket in zijn karig verblijf.

De god is nog stom, maar ik vrees dat, al
zouden we onze lichamen in zijn
vlammen offeren - en ons bloed vooral -
hier voor altijd een naamloos bos zal zijn;
schuilplaats voor de ruige geiten van Pan,
waaruit elke vrouw vlucht, en elke man.
Into the vessel


Into the golden vessel of great song,
let us pour all our passion; breast to breast.
Let other lovers lie, in love and rest:
Not we,...articulate, so, but with the tongue

of all the world: the churning blood, the long
shuddering quiet, the desperate hot palms pressed
sharply together upon the escaping guest,
the common soul, unguarded, and grow strong.

Longing alone is singer to the lute;
let still on nettles in the open sigh
the minstrel, that in slumber is a mute
as any man, and love be fair and high,
that else forsake the topmost branch, a fruit
found on the ground by every passer-by.
Liefdes lied

We gaan in’t gouden vat van 'n groot lied,
borst aan borst, al onze passie gieten.
Laat anderen liefdes rust genieten.
Niet wij, wij vertolken, zonder limiet,

in wereldse taal: - het kolkende bloed,
de lange hete stiltes, de boze 
angst bij elk afscheid -  de argeloze,
eengeworden ziel, met een sterk gemoed.

Verlangen is een zanger zonder lied.
Laat de minstreel, slapend even stom als
elke man, buiten op netels zijn verdriet 
luchten -  en Liefde mooi zijn, en hoog, als
mooie vruchten aan de hoogste takken,
niet wat ieder van de grond kan pakken.
Elegy before death

There will be rose and rhododendron
When you are dead and underground;
Still will be heard from white syringes
Heavy with bees, a sunny sound;

Still will the tamaracks be raining
After the rain has ceased, and still
Will there be robins in the stubble,
Brown sheep upon the warm green hill.

Spring will not ail nor autumn falter;
Nothing will know that you are gone,
Saving alone some sullen plough-land
None but yourself sets foot upon;

Saving the may-weed and the pig-weed
Nothing will know that you are dead,-
These, and perhaps a useless wagon
Standing beside some tumbled shed.

Oh, there will pass with your great passing
Little of beauty not your own,-
Only the light from common water,
Only the grace from simple stone!
Klaagzang vóór de dood

De fuchsias en de rozen blijven
ook nadat jij dood bent en begraven;
gegons van bijen in de seringen
zal ook dan nog onze oren laven.

De tamarinde zal blijven druipen,
lang na het eind van elke regenbui,
op de akkers zijn er nog steeds vogels,
en op de heuvels schapen zonder tui.

Lente en winter gaan hun eigen gang;
niets zal weten dat jij bent heengegaan,
behalve dan een stuk somber ploegland,

waarop alleen jijzelf ooit hebt gestaan.

Behalve het mei- en varkenskruid
zal niets weten dat je bent overleden, -
zij, en misschien een versleten wagen,
onder een schamel afdak gereden.

O, maar met jouw voorgoed heengaan gaat er
wel meer dan jouw eigen schoonheid heen,
zoals het licht van gewoon water,
en de gratie van gewone steen.
Sonnet  4. from: Un Ungrafted Tree

The white bark writhed and sputtered like a fish
Upon the coals, exuding odorous smoke.
She knelt and blew, in a surging desolate wish
For comfort; and the sleeping ashes woke
And scattered to the hearth, but no thin fire
Broke suddenly, the wood was wet with rain.
Then, softly stepping forth from her desire,
(Being mindfull of like passions hurled in vain
Upon a similar task, in other days,)
She thrust her breath against the stubborn coal,
Bringing to bear upon its hilt the whole
Of her still body … there sprang a litle blaze …
A pack of hounds, the flame swept up the flue! -
And the blue night stood flattened against the window,
Staring through.

De grijze boomschors spetterde als vet
in een hete pan, en gaf dikke rook.
Wanhopig warmte wensend, blies ze met
kracht; ze spreidde de sintels met de pook,
maar kon er geen vlam aan ontlokken,
het hout was ook te nat van de regen.
In plaats van zoals vroeger te mokken
als het bij grote inspanning tegen

zat, blies ze nu met de hele inhoud
van haar lijf tegen de koppige kool
… daar kwam een hele kleine vlam …frivool
eerst, dan sloegen de vlammen om het hout,
en de blauwe nacht stond geplet tegen
het raam en staarde koud naar binnen.
My worship from this hour

My worship from this hour the Sparrow-Drawn
Alone will cherish, and her arrowy child,
Whose groves alone in the inquiring dawn
Rise tranquil, and their altars undefiled.
Seaward and shoreward smokes a plundered land
To guard whose portals was my dear employ;
Razed are its temples now; inviolate stand
Only the slopes of Venus and her boy.

How have I stripped me of immortal aid
Save theirs alone, - who could endure to see
Forsworn Aeneas with conspiring blade
Sever the ship from shore (alas for me)
And make no sign; who saw, and did not speak,
The brooch of Troilus pinned upon the Greek.
ADAMANT -  De vlucht uit Troje

Nu vereer ik alleen nog de Godin
met de vogels, en haar zoon met de boog;
alleen hún bosjes verschijnen in
de ochtend ongeschonden voor het oog.
Zee- en landwaarts smeult het geplunderd land -
mijn wachtdomein in de oorlogs cyclus.
Alle tempels zijn verwoest; niet verbrand
zijn slechts de heiligdommen van Venus.

Hulp van andere Goden wijs ik af:
die zagen onbewogen werkloos toe
toen Aeneas (tot mijn doem) het schip laf
van de wal stiet; alsof een taboe
hen stom hield toen Troïlus gouden speld
de mantel sierde van een Griekse held.
17  sonnetten van de bundel An Ungrafted Tree vind u  hier: